Opinie en verhaal

Column: Van het concert des levens….

Een column van Arjen Veldhuizen

- advertentie -

Mijn vader begon zijn werkbare leven als timmerman en verhuisde daarvoor zelfs naar Terschelling om in het bouwbedrijfje van zijn oom te gaan werken. Ver van zijn familie in Utrecht bouwde hij daar een leven op, samen met zijn Zaanse vriendin, mijn moeder. Ze trouwden in 1958 en een jaar later kregen ze in hun eerste huisje een dochter. Dat huisje was een kleine ruimte van een boerderij op Striep. Een jaar later verhuisden ze naar een huurhuis in het verderop gelegen dorp Midsland alwaar een zoon geboren werd.

- advertentie -

Vier jaar later zag ik daar ook het levenslicht.

Het was geen groot huis maar wel een huis met veel mogelijkheden. Mijn zus had een eigen kamertje, ik sliep bij mijn broer op de kamer en mijn ouders hadden hun eigen kamer. De woonkamer was klein maar groot genoeg voor ons om binnen te spelen en ach, we waren meestal buiten want daar lag een enorme vrijheid. Mijn vader benutte de vele mogelijkheden van dit huis en bouwde achter het huis een bijkeuken en twee schuurtjes in de tuin: een schuurtje om te klussen en een schuurtje voor de fietsen en mijn moeders brommertje. De tuin zelf bestond uit twee delen, namelijk een deel waar hij voor ons een schommel en een wip maakte en het andere deel bestond uit een groentetuin.

- advertentie -

Ik heb daar twaalf hele gelukkige jaren gehad.

In die jaren namen mijn vader en zijn tien jaar jongere neef het bouwbedrijf over en moest hij en mijn moeder nog harder werken om het leven op een eiland op te bouwen. Ze integreerden snel in de samenleving door zich aan te sluiten bij verenigingen zoals de toneelclub of de gymvereniging. En mijn vader kwam natuurlijk in aanraking met de eilanders tijdens het werken. Rond 1975 bouwden ze een eigen huis tegenover de werkplaats, een huis waar wij kinderen elk een eigen kamer kregen.

Wat een luxe!

Hier wierpen wij onze jongste jaren van ons af en puberden we erop los. Hier vierden we onze verjaardagen, hier dronken we koffie met een stuk sneeuwster of een zelfgemaakte tompouce, hier werden meningsverschillen met de ouders gevoerd en omgekeerd natuurlijk als wij weer eens totaal niet met hun op dezelfde golflengte zaten, hier werd gelachen om grappen en scheten, hier werd ook weer gezongen en voorgedragen, hier werd afgesproken om zondags te gaan zwemmen met het hele gezin en vrienden uit de buurt, hier moesten klusjes in- en om het huis uitgevoerd worden, hier werden boeken gelezen, hier werden … Herinneringen gemaakt!

Het was ook het huis waar wij, de kinderen, uiteindelijk uitvlogen. Maar eerst moest er ‘proefgedraaid’ worden. Dat proefdraaien bestond uit opleidingen volgen aan het vaste land, opleidingen die op het eiland niet gegeven konden worden. Zus en broer gingen naar Harlingen en ik kwam uiteindelijk in Leeuwarden terecht. Dat betekende dat we wel een mooi ruim huis hadden, maar doordeweeks was dat huis enkel bewoond door mijn ouders en werd het stil in huis. Maar vanaf vrijdagavond kwam er weer reuring in het huis! Dan kwam het kroost weer thuis. Met de was, met hun verhalen. Maar veel tijd was daar niet voor want het sociale leven ging ook door: vrienden en vriendinnen, sporten en uitgaan natuurlijk. En maandagmorgen bracht mijn vader ons weer weg en stapten we op de boot, terug naar onze kosthuizen. Dan wist ik wat mijn ouders tegen elkaar zeiden:

‘Zo, we zijn weer onder ons.’

Maar uiteindelijk vlogen wij allemaal uit en waren mijn ouders, beiden vijftigers, weer op elkaar aangewezen. Niet lang daarna werden ze opa en oma en kwam er weer nieuwe energie in hun leven. Mijn zus ging weer op het eiland wonen waardoor haar kinderen veel van opa en oma mee konden maken, maar de kleinkinderen aan de wal werden net zo geliefd ontvangen en het voelde voor hen als enorme rijkdom. Ondertussen werden er plannen gemaakt om een kleiner huis te bouwen waar zij oud in konden worden.

- advertentie -

‘Hier kunnen we oud worden en sterven.’ hoopten mijn ouders.

Begin jaren 90 begon men met bouwen van dit huis op Kinnum, een gehucht vlak onder de Waddendijk en vanaf 1992 gingen ze daar wonen. Beneden hadden ze hun slaapkamer, bijkeuken, woonkamer en keuken en boven was er een logeerkamer en een ruimte waar de kleinkinderen konden slapen. Het was ook de tijd dat mijn vader stopte met werken en zich loskoppelde van het bouwbedrijf, het bedrijf waar hij zijn hele ziel en zaligheid aan gegeven had, in dankbaarheid naar zijn oom die hem ooit deze kans gegeven had. Mijn ouders genoten van hun nieuwe woning en de fantastische omgeving; de dijk werd graag bezocht en daarachter werd gezwommen of ze keken vanaf het bankje naar de kinderen die daar krabben aan het vangen waren. Maar het was ook de plek waar ze graag zaten bij volle maan, samen genietend van de geluiden van het Wad en samen daar gewoon erg gelukkig te zitten wezen.

Wij, de kinderen ‘van de Wal’, hebben daar vaak onze vakanties mogen doorbrengen.

Toch was het niet altijd rozengeur en maneschijn. Mijn moeder begon te vergeten en mijn vader nam alle huishoudelijke taken over. Dat heeft hij jaren volgehouden totdat het niet meer ging en hij haar naar het woonzorgcentrum moest brengen. Dat knaagde aan mijn vaders geweten, want dit had hij niet voorzien. Toch droeg hij dit kruis en zocht haar dagelijks op.

Na anderhalf jaar ging haar lichtje uit en bracht hij haar weer even naar huis voor het afscheid.

Het leven zonder haar viel niet mee, maar hij redde zich. Totdat ook zijn gezondheid gebreken begon te vertonen. Tot maar liefst drie keer werd hij met de helikopter naar het ziekenhuis gebracht om weer opgelapt te worden, maar elke keer kwam hij dat te boven en kon hij weer naar zijn huis, dat huis daaronder aan de dijk. Mijn zus werd zijn mantelzorger en sinds begin vorig jaar werd zij daar fantastisch ondersteund door de Thuiszorg. Daardoor kon mijn vader zelfstandig blijven, zoals hij dat ooit bedacht had toen hij dit huis bouwde.

Maar het leven is hard. Keihard. Hij verloor zijn gezichtsvermogen en hij verloor de weg in zijn eigen huis. Dat had hij niet ingecalculeerd en daar heeft hij veel verdriet van. Want hij was een man van de wereld, las boeken, kon goed meepraten over het voetballen, belde, mailde en appte met kinderen, kleinkinderen en verdere familie en zorgde voor de verbinding zoals hij opgevoed was.

Donderdagmorgen hebben wij hem naar zijn nieuwe appartement gebracht in het woonzorgcentrum De Stilen. Toen mijn broer tijdens het verlaten van het huis aan hem vroeg of hij nog wat over het huis wilde zeggen, het huis wat hij met zijn eigen handen steen voor steen opgebouwd had, antwoordde hij in zijn gebruikelijke eenvoud, maar waar de pijn van afdroop:

“Dag huis.”

 

- advertentie - 

Dit kan u ook interesseren

Back to top button